Behoud van vruchtbaarheid bij de diagnose kanker.

 

Cryopreservatie van ovariumweefsel
(2)Meisjes en vrouwen die wegens kanker behandeld worden lopen het risico de functie van hun eierstokken (ovaria) en hun vruchtbaarheid te verliezen. Bestraling en sommige cytostatica tasten de eicelvoorraad aan met als gevolg dat de vruchtbaarheid al op jonge leeftijd is verminderd en de overgang vervroegd optreedt. De leeftijd - lees: de eicelvoorraad op dat moment - waarop de behandeling wordt uitgevoerd is mede bepalend voor het resultaat: hoe ouder des te groter de kans dat de eicelvoorraad te klein wordt en meteen aansluitend aan de behandeling de postmenopauze intreedt en er geen menstruaties meer volgen. Meisjes die vóór de puberteit worden behandeld doorlopen veelal op een normale wijze de puberteit om toch vervroegd in de overgang te geraken. Het is voor kankerspecialisten niet altijd goed mogelijk het effect van hun behandelingen te individualiseren en daarmee een voorspelling te doen over de schade die aan de ovaria wordt aangericht.

 

Om de kans op een genetisch eigen kind veilig te stellen kan worden besloten om voorafgaande aan de kankertherapie ovariumweefsel in te vriezen (cryopreserveren) en te bewaren. Het verkrijgen van en omgaan met ovariumweefsel is complex. Allereerst dient er een laparoscopie (kijkbuisingreep) teworden uitgevoerd om het weefsel te verkrijgen tenzij in het kader van de behandeling toch een buikoperatie moet worden verricht. Zowel de onzekerheid rond het effect van de behandeling op de ovaria als die rond de gebruiksmogelijkheden van het weefsel in de toekomst nopen ertoe alleendan ovariumweefsel in te vriezen als te verwachten is dat de ovariumfunctie zeker uitvalt. Cryopreservatie van ovariumweefsel zal alleen kunnen worden aangeboden als de kankertherapie in opzet genezend van aard is. Hoeveel ovariumweefsel moet worden verwijderd is de vraag, meestal wordt één ovarium verwijderd met het voordeel van de twijfel voor het achtergebleven ovarium. De buitenste laag van het ovarium van 1-2 mm dikte van met daarin de rustende follikels (eiblaasjes), de enige eicellen die het invries- en ontdooiproces overleven, wordt afgeprepareerd en in dunne plakjes ingevroren en in vloeibare stikstof bewaard.

 

Het gebruik van ingevroren menselijk ovariumweefsel staat nog in de kinderschoenen. Het lijkt het verstandigst om het alleen te gaan gebruiken als blijkt dat de achtergebleven eierstok niet meer functioneert èn er sprake van kinderwens is. Om het weefsel alleen terug te plaatsen om vrouwelijke hormonen binnen te krijgen wordt nu niet geadviseerd omdat een tekort hieraan met hormoonpreparaten kan worden opgevangen. Op welke plaats in het lichaam de stukjes weefsel moeten worden teruggeplaatst is nog niet duidelijk. In de buik terugplaatsen lijkt voor de hand te liggen, maar omdat nog niet bekend is hoelang een teruggeplaatst stukje weefsel blijft functioneren zou dit kunnen betekenen dat er bij herhaling een laparoscopie moet gebeuren. Een andere reden om naar een andere plaats uit te kijken is het feit dat door de eerdere ingreep in de buik de anatomie daar zo kan zijn veranderd dat de kans op het spontaan ontstaan van een zwangerschap erg klein is geworden.

 

Een geschikte plaats lijkt de onderarm te zijn. Eenmaal werd via een punctie in de onderarm een eicel verkregen en werd IVF gedaan, maar zonder succes. Het overplaatsen van ovariumweefsel in een muis, het daar laten rijpen (xenomaturatie) en de rijpe eicellen voor IVF gebruiken is één van de takken van onderzoek op dit moment. Het volledig in het laboratorium kweken van het ovariumweefsel tot de eicellen rijp zijn (in vitro maturatie) duurt een half tot één jaar; technisch is dit nu nog niet mogelijk en eveneens in onderzoek.

 

Alleen meisjes en vrouwen van jonger dan 20 jaar komen in aanmerking voor het invriezen van ovariumweefsel. Zij hebben een goede eicelvoorraad waarvan overigens door het invriezen, ontdooien en transplanteren nog de helft verloren gaat. Die grote eicelvoorraad lijkt nodig om een goede kans op een zwangerschap te maken. Zij komen over 10 à 15 jaar pas met kinderwens en geven de wetenschap daarmee 10-15 jaar de tijd om de meest geschikte gebruiksstrategie te ontwikkelen.

 

Cryopreservatie van semen / invriezen van zaadcellen
Een aantal decenia geleden was de levensverwachting van jonge mannen met kanker beduidend lager dan vandaag de dag. Met name door de toegenomen mogelijkheden van chemo- en radiotherapie overleeft een aanzienlijk gedeelte van de jonge mannen. In het verleden werd (overigens lang niet altijd) aangeboden om sperma in te vriezen, als de begin kwaliteit van het sperma goed was. Men ging ervan uit dat door het proces van invriezen veel van de kwaliteit verloren ging, dus als het sperma niet goed was, begon men er niet aan.

 

Door de toegenomen mogelijkheden van geassisteerde voortplantingstechnieken zoals IUI, IVF en ICSI, is de kans op het krijgen van nageslacht toegenomen,ook bij verminderde spemakwaliteit.

 

Het ter sprake brengen van de mogelijkheid tot invriezen van sperma bij mannen/jongens die net te horen hebben gekregen dat ze kanker hebben, ligt heel gevoelig. Ze voelen zich al enige tijd ziek, en zijn natuurlijk overdonderd door het bericht dat ze een ernstige ziekte hebben. Met name jonge mannen die nog nooit aan een gezin gedacht hebben worden overvallen met het bespreken van de mogelijkheden voor hun eventuele vaderschap. Dit terwijl ze alleen maar bezig zijn met te bedenken hoe ze de ziekte moeten overleven.

 

Het sperma wordt bij voorkeur ingevroren zo snel mogelijk nadat de diagnose kanker gesteld is, en liefst vóórdat met de chemo- of radiotherapie begonnen wordt. De patiënt wordt gevraagd met een tussenpose van 2 á 3 dagen verschillende spermamonsters in te leveren. Vaak is de kwaliteit van het sperma al verminderd door de ziekte. Nadat de patiënt is getest op geelzucht (HbsAg) en aids(HIV) kan het sperma worden ingevroren. Bij ± 15 % van de mannen worden helaas geen zaadcellen meer gevonden.

 

De kwaliteit van het sperma na ontdooien is in hoge mate gecorreleerd aan de begin kwaliteit.

 

Nadat de patiënt is behandeld voor zijn ziekte komt er bij 20 tot 50 % de zaadcel productie weer op gang. Dit is in grote mate afhankelijk van het soort kanker (kanker aan de testikel heeft een lager herstel percentage dan bv bloedcelkanker), en het soort, de duur en de intensiteit van de chemo- of radiotherapie. Deze mannen hoeven dus geen gebruik te maken van het sperma wat opgeslagen is.

 

Uit literatuur gegevens blijkt dat nog geen 10% van de mannen gebruik maakt van het sperma dat opgeslagen is.

 

De oorzaken hiervoor zijn verschillend. Zoals hierboven beschreven, komt bij een groot deel de sperma productie weer op gang. Een gedeelte van de patiënten zal helaas overlijden. Een ander gedeelte zal besluiten dat zijn gezin toch compleet is, of zal afzien van vaderschap. En een gedeelte van de mannen zal uit angst dat de ziekte terugkeert niet aan een gezin durven beginnen.

 

Van te voren is niet te voorspellen wie de ziekte zal overleven en wie niet, of bij wie de spermaproductie zal terugkeren en bij wie niet. Derhalve wordt ervoor gepleit om bij iedere man die met kanker geconfronteerd wordt, sperma in te vriezen. In het buitenland wordt van te voren ook een contract ondertekend wat er met het sperma moet gebeuren bij eventueel overlijden van de man. Bv wordt het vernietigd of komt het toe aan de partner. In Nederland is hier nog volop discussie over. Bij de paren die zwanger zijn geworden met het sperma wat is ingevroren, is er geen verhoogd percentage aangeboren afwijkingen aangetoond.


Medicamenteuze cryopreservatie
Vrouwen tijdens de vruchtbare levensfase die een kwaadaardige aandoening hebben en behandeld worden met chemotherapie (geneesmiddelen die kwaadaardige cellen vernietigen), hebben een 40-70% kans om vervroegd in de overgang te belanden.

 

Medicamenteuze bescherming eierstok functie tijdens chemotherapie
Uit onderzoek is gebleken dat meisjes, die de puberteit nog niet hadden doorgemaakt, een veel lagere kans hadden om tijdens chemotherapie, vanwege een kwaadaardige aandoening, vervroegd in de overgang te komen. De reden is dat de eierstokken zich nog in een rustende fase bevinden. Dit leidde tot de hypothese dat vrouwen, die zich in de vruchtbare levensfase bevinden, tijdens chemotherapie eigenlijk kunstmatig ook in de fase zoals voorafgaande aan de puberteit gebracht dienden te worden.

 

Dit kan bereikt worden door de gelijktijdige toediening van het GnRH-analoog hormoon tijdens de chemotherapie. Dit hormoon wordt in kleine hoeveelheden geproduceerd door de hersenen en stimuleert de hypofyse, een klein orgaantje gelegen onder de hersenen. De hypofyse scheidt een aantal hormonen uit, te weten o.a. LH en FSH, die de eierstokken stimuleren tot de groei van een eiblaasje resulterend in een eisprong. Indien echter het hormoon GnRH-analoog in een grotere hoeveelheid wordt gegeven, leidt dit tot het stilleggen van de hypofyse en uiteindelijk ook tot de rustfase van de eierstokken. Dit heeft tot gevolg dat er geen eisprong meer optreedt en de oestrogenen (vrouwelijk hormoon door de eierstokken gemaakt) nauwelijks meer worden geproduceerd.

 

GnRH-analoog wordt via een onderhuidse injectie maandelijks of één keer per drie maanden toegediend. Dit kan aanleiding geven tot klachten die ook gezien worden bij vrouwen in de overgang zoals opvliegers, nachtelijk zweten, pijn tijdens de gemeenschap en botverlies. De GnRH-analoog behandeling dient gecombineerd te worden met een oestrogeen en progestageen preparaat, zoals bijvoorbeeld de anticonceptie pil, teneinde de overgangsklachten te onderdrukken. Ook treedt dan geen botverlies op, terwijl de effectiviteit van de GnRH-analoog behandeling niet nadelig wordt beïnvloedt.Uit een Israëlisch onderzoek bleek dat in een groep van 40 vrouwen in de vruchtbare levensfase en behandeld met chemotherapie wegens een kwaadaardige aandoening 50% na de behandeling vervroegd in de overgang belandden. In een groep van 30 vrouwen, eveneens met een kwaadaardige aandoening, behandeld met chemotherapie en het GnRH-analoog hormoon bleek na de behandeling slechts 1 vrouw vervroegd in de overgang te zijn gekomen. Uiteraard dient nader onderzoek te worden verricht om deze resultaten te verifiëren.

 

Pagina 1 van 4 > >>

04/02/12
Categorie: Nieuws
Het UMC Utrecht begint maandag met de werving van eiceldonoren. Dat is de eerste stap in de richting van een eicelbank, die naar verwachting volgend voorjaar in gebruik wordt genomen. Vrouwen die met hun eigen eicellen niet zwanger kunnen worden, hoeven dan niet meer zelf op zoek naar een eiceldonor en niet meer naar het buitenland voor een behandeling.
02/20/12
Categorie: Nieuws
Overgewicht en obesitas zorgen bij mannen, onafhankelijk van andere leefstijlfactoren, voor een lagere zaadkwaliteit. Zowel de hoeveelheid zaadcellen als hun beweeglijkheid wordt beïnvloed door het lichaamsgewicht. Ongezonde leefstijl- en voedingsgewoonten blijken opnieuw nadelige invloed te hebben op de vruchtbaarheid, zowel bij mannen als vrouwen. Promovenda Fatima Hammiche van het Erasmus MC concludeert dit in haar proefschrift. Hammiche promoveert op 8 februari 2012 op haar onderzoek naar de invloed van voeding en leefstijl op de vruchtbaarheid.
10/30/11
Categorie: Nieuws
Vrouwen die een ivf-behandeling hebben ondergaan, hebben geen grotere kans op het ontwikkelen van kwaadaardige tumoren van de eierstok.
10/30/11
Categorie: Nieuws
Mannen kunnen over een paar jaar thuis heel nauwkeurig zien hoe vruchtbaar ze zijn.